Een tijdje geleden bracht ik een bezoek aan mevrouw Leutcher - Bos. Zij had een aantal foto's voor mij van de toneelvereniging Da Costa uit Winschoten. Ooit was de vereniging begonnen als Gereformeerde Reciteervereniging, maar met het verloop van de tijd werd het meer en meer een toneelvereniging.
In een plakboek vond ik een aantal prachtige groepsfoto's van de spelers, nog geschminkt en gekleed voor de voorstelling. Ik ging samen met Fokko, die de Beeldbank beheert voor het CHC, bij mevrouw Leutcher op bezoek om samen met haar de namen bij de foto's te noteren. Aan de keukentafel namen we het boek nog eens door en gaf zij ons alle namen die ze zich nog kon herinneren. Zo legden we een stukje toneelgeschiedenis van Winschoten voor het nageslacht vast.
Mevrouw Leutcher heeft nog veel meer verzameld door de jaren heen. Haar vader drukte het gereformeerde kerkblaadje in de jaren dertig. Alle exemplaren heeft ze nog, een schat van informatie. Ooit werkte ze mee aan een herdenkingsboek over de Gereformeerde kerk in Winschoten, de geschiedenis van de huiskamerkerk na de Afscheiding tot de prachtige kerk aan de Venne. Van dit boekje had ze nog een aantal exemplaren. Eén daarvan staat nu in de bibliotheek van het CHC. Voor het nageslacht.
Posts tonen met het label Negentiende eeuw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Negentiende eeuw. Alle posts tonen
woensdag 2 april 2014
vrijdag 22 januari 2010
Armenzorg 3: Geertuida Houwen
Woensdag waren de opnames voor de uitzending van Teleac waar ik al een tijdje mee bezig ben. In het voormalig gemeentehuis van Bellingwolde mocht ik vertellen over een toch wel droevige familiegeschiedenis. Het is een verhaal van de armoede in de negentiende eeuw.

In december 1863 moet een dagloner in Bellingwolde naar het Burgerlijk Armbestuur. Freerk is 46 jaar, hij is getrouwd met Geertruida, die 14 jaar jonger is dan hij. Ze hebben samen drie kinderen, Elisabeth, Jan en Fre. Freerk krijgt een uitkering van 2 gulden in de week omdat Geertruida ziek is. Een paar maanden later bevalt zij van haar jongste zoon, Willem.
In de winter van 1864 doet Freerk opnieuw een beroep op het Armbestuur. Dit keer is hij zelf ernstig ziek. Hij krijgt opnieuw 2 gulden in de week en het Armbestuur schakelt een arts in.
De armbestuurders van gemeente Wedde krijgen bericht over dit besluit. Freerk is geboren in Blijham. Hij heeft dus domicilie van onderstand in gemeente Wedde. Het is maar de vraag of de arts ooit bij Freerk geweest is. Een paar dagen na het besluit van het Armbestuur overlijdt Freerk. We hoeven maar een bladzij om te slaan in het besluitenboek om dit te zien. De twee gulden per week gaan nu naar Geertuida, weduwe met vier kinderen.
Uit het brievenboek van het Armbestuur blijkt hoe uitzichtloos de situatie is. Jaar in jaar uit verschijnt de naam van Geertruida. Zij heeft domicilie van onderstand in Beerta. Ieder jaar krijgt die gemeente een declaratie voor haar. In de zomer kan ze zichzelf redden door op het land te werken. In de winter, als er geen werk is, komt ze al snel in de problemen.
Vrouwen verdienden minder dan mannen in die tijd. Daarmee is niet gezegd dat dat nu niet meer zo is, maar dat is een ander verhaal. De samenleving was opgebouwd uit gezinnen met de man als hoofd daarvan. Een vrouw hoefde niet zoveel te verdienen, dat deed de man wel. Helaas werd deze redenering niet aangepast als er geen man (meer) was.
In de loop van de tijd krijgt Geertruida steeds minder geld van het Armbestuur. De oudste dochter Elisabeth zal waarschijnlijk op jonge leeftijd uit huis zijn gegaan om als dienstmeisje te gaan werken. Een paar jaar later zal Fre haar voorbeeld gevolgd hebben. Geertruida krijgt niet meer dan ze beslist nodig heeft.
Het bevolkingsregister vertelt nog het verhaal van Jan, de oudste zoon van Freerk en Geertruida. In december 1864, als Freerk overlijdt, is hij 8 jaar oud. Drie maanden na het overlijden wordt Jan uitgeschreven. Hij gaat naar Wedde om bij zijn oom, de oudste broer van Geertruida, te gaan wonen. Deze Willem Houwen is hoofdonderwijzer in Wedde. Hij en zijn vrouw hebben zelf geen kinderen. Willem blijft de rest van zijn kindertijd in Wedde. Eerst bij zijn oom Willem en later bij de vader van zijn tante. Hij is nooit meer bij zijn moeder komen wonen.
Het is een triest verhaal, zeker voor iemand die weet dat hij afstamt van Geertruida, Freerk en Willem.
In september zendt Teleac de opnames uit, ik laat nog wel weten wanneer precies.
In december 1863 moet een dagloner in Bellingwolde naar het Burgerlijk Armbestuur. Freerk is 46 jaar, hij is getrouwd met Geertruida, die 14 jaar jonger is dan hij. Ze hebben samen drie kinderen, Elisabeth, Jan en Fre. Freerk krijgt een uitkering van 2 gulden in de week omdat Geertruida ziek is. Een paar maanden later bevalt zij van haar jongste zoon, Willem.
In de winter van 1864 doet Freerk opnieuw een beroep op het Armbestuur. Dit keer is hij zelf ernstig ziek. Hij krijgt opnieuw 2 gulden in de week en het Armbestuur schakelt een arts in.
De armbestuurders van gemeente Wedde krijgen bericht over dit besluit. Freerk is geboren in Blijham. Hij heeft dus domicilie van onderstand in gemeente Wedde. Het is maar de vraag of de arts ooit bij Freerk geweest is. Een paar dagen na het besluit van het Armbestuur overlijdt Freerk. We hoeven maar een bladzij om te slaan in het besluitenboek om dit te zien. De twee gulden per week gaan nu naar Geertuida, weduwe met vier kinderen.
Uit het brievenboek van het Armbestuur blijkt hoe uitzichtloos de situatie is. Jaar in jaar uit verschijnt de naam van Geertruida. Zij heeft domicilie van onderstand in Beerta. Ieder jaar krijgt die gemeente een declaratie voor haar. In de zomer kan ze zichzelf redden door op het land te werken. In de winter, als er geen werk is, komt ze al snel in de problemen.
Vrouwen verdienden minder dan mannen in die tijd. Daarmee is niet gezegd dat dat nu niet meer zo is, maar dat is een ander verhaal. De samenleving was opgebouwd uit gezinnen met de man als hoofd daarvan. Een vrouw hoefde niet zoveel te verdienen, dat deed de man wel. Helaas werd deze redenering niet aangepast als er geen man (meer) was.
In de loop van de tijd krijgt Geertruida steeds minder geld van het Armbestuur. De oudste dochter Elisabeth zal waarschijnlijk op jonge leeftijd uit huis zijn gegaan om als dienstmeisje te gaan werken. Een paar jaar later zal Fre haar voorbeeld gevolgd hebben. Geertruida krijgt niet meer dan ze beslist nodig heeft.
Het bevolkingsregister vertelt nog het verhaal van Jan, de oudste zoon van Freerk en Geertruida. In december 1864, als Freerk overlijdt, is hij 8 jaar oud. Drie maanden na het overlijden wordt Jan uitgeschreven. Hij gaat naar Wedde om bij zijn oom, de oudste broer van Geertruida, te gaan wonen. Deze Willem Houwen is hoofdonderwijzer in Wedde. Hij en zijn vrouw hebben zelf geen kinderen. Willem blijft de rest van zijn kindertijd in Wedde. Eerst bij zijn oom Willem en later bij de vader van zijn tante. Hij is nooit meer bij zijn moeder komen wonen.
Het is een triest verhaal, zeker voor iemand die weet dat hij afstamt van Geertruida, Freerk en Willem.
In september zendt Teleac de opnames uit, ik laat nog wel weten wanneer precies.
donderdag 21 januari 2010
Armenzorg 2: Maria Rozeboom
De achtjarige Maria Rozeboom woonde in het armenhuis in Bellingwolde. Ze was daar zonder ouders of andere familie. Maria was een buitenechtelijk kind. Ze was nooit erkend door haar vader. Haar moeder, Klazien Rozeboom, was inmiddels getrouwd met Johan Conraad de Beer. Zij werkte in Beerta bij de landbouwer Rotgert Joling. Omdat Maria in Beerta geboren was, bracht het armbestuur die gemeente op de hoogte van haar verblijf in het armenhuis. Zij moesten voor Maria gaan betalen. Een korte zoektocht op Alle Groningers toont dat Maria twee halfbroers en een halfzusje had toen ze in het armenhuis terecht kwam. Werd ze teveel voor Johan Conraad en Klazien? Was het tijdelijk? En waarom dan naar Bellingwolde? Wie zal het zeggen. Maria trouwde jaren later met Benjamin Lameijer uit Beerta. Wellicht is ze toch weer naar huis gekomen. Wordt vervolgd.
vrijdag 15 januari 2010
Armenzorg 1: Totale verstandsverbijstering
Het onderzoek voor Teleac is klaar. Volgende week zijn de opnames. Ik heb de archiefstukken op mijn bureau liggen. Het stuk dat mij het meest intrigeert is het 'missivenboek voor het armwezen' in Bellingwolde van 1867 tot 1872. Het zijn afschriften van brieven van het Burgerlijk Armbestuur.
De brieven die het armbestuur schreef gingen over het terugvorderen van uitkeringen en declaraties van andere gemeenten. De Armenwet van 1854 schreef namelijk voor dat de geboortegemeente verantwoordelijk was voor het onderhoud van iemand die armlastig werd. Daar zaten nog allerlei clausules omheen die te complex zijn om in een korte blogtekst toe te lichten. Dit was de kern. De geboorteplaats is de 'domicilie van onderstand'.
De brieven bevatten soms informatie over de leefomstandigheden van de armen, of van de redenen waarom ze tot armoede zijn vervallen. Het zijn trieste verhalen. In de komende blogs zal ik er een paar vertellen. Ik zal beginnen met het verhaal van Lammert Klaassens de Jonge:
'Bellingwolde, den 9 Junij 1869
Aan de burgemeester van Oude Pekela
De persoon van Lammert Klaassens de Jonge, die geb. is in uwe gemeente in 1819, is lijdend aan eene totale verstandsverbijstering en zeer gevaarlijk wordt, zoodanig dat hij sedert zondag jl. streng bewaakt moet worden om ongelukken te voorkomen'.
Lammert is geboren in Oude Pekela. Daar is dus zijn domicilie van onderstand. De burgemeester van Bellingwedde, L. Kars, brengt zijn collega in Oude Pekela op de hoogte van de situatie. Er zal een verzoek gaan naar de officier van justitie om Lammert op te laten nemen in een krankzinnigengesticht.
Een dag later gaat er een brief naar de officier in Winschoten. Daaruit blijkt dit: Lammerts vrouw Geertruida heeft gevraagd om de opname. Volgens deze brief lijdt Lammert aan periodieke razernij. Bij deze aanval wordt hij bewaakt. Geertruida zal het een en ander gevoeld hebben van eerdere aanvallen.
Ook gaat er een brief naar Gedeputeerde Staten. Zij moeten namelijk beslissen waar Lammert moet worden geplaatst.
Een paar dagen later komt het besluit: Lammert moet voorlopig naar het geneeskundig krankzinnigengesticht in Delft. Burgemeester Kars schrijft naar Oude Pekela om te weten te komen hoe het vervoer geregeld wordt. Hij sluit af met de volgende zin: Wat verder het verzoek van uwe missieve aangaat, om de achtergelatene vrouw en kind niet dadelijk in onderstand op te nemen, zullen wij voldoen.
Geertruida moet zich maar redden. Dat doet ze kennelijk, want ze komt niet meer voor in de brieven.
De brieven die het armbestuur schreef gingen over het terugvorderen van uitkeringen en declaraties van andere gemeenten. De Armenwet van 1854 schreef namelijk voor dat de geboortegemeente verantwoordelijk was voor het onderhoud van iemand die armlastig werd. Daar zaten nog allerlei clausules omheen die te complex zijn om in een korte blogtekst toe te lichten. Dit was de kern. De geboorteplaats is de 'domicilie van onderstand'.
De brieven bevatten soms informatie over de leefomstandigheden van de armen, of van de redenen waarom ze tot armoede zijn vervallen. Het zijn trieste verhalen. In de komende blogs zal ik er een paar vertellen. Ik zal beginnen met het verhaal van Lammert Klaassens de Jonge:
'Bellingwolde, den 9 Junij 1869
Aan de burgemeester van Oude Pekela
De persoon van Lammert Klaassens de Jonge, die geb. is in uwe gemeente in 1819, is lijdend aan eene totale verstandsverbijstering en zeer gevaarlijk wordt, zoodanig dat hij sedert zondag jl. streng bewaakt moet worden om ongelukken te voorkomen'.
Lammert is geboren in Oude Pekela. Daar is dus zijn domicilie van onderstand. De burgemeester van Bellingwedde, L. Kars, brengt zijn collega in Oude Pekela op de hoogte van de situatie. Er zal een verzoek gaan naar de officier van justitie om Lammert op te laten nemen in een krankzinnigengesticht.
Een dag later gaat er een brief naar de officier in Winschoten. Daaruit blijkt dit: Lammerts vrouw Geertruida heeft gevraagd om de opname. Volgens deze brief lijdt Lammert aan periodieke razernij. Bij deze aanval wordt hij bewaakt. Geertruida zal het een en ander gevoeld hebben van eerdere aanvallen.
Ook gaat er een brief naar Gedeputeerde Staten. Zij moeten namelijk beslissen waar Lammert moet worden geplaatst.
Een paar dagen later komt het besluit: Lammert moet voorlopig naar het geneeskundig krankzinnigengesticht in Delft. Burgemeester Kars schrijft naar Oude Pekela om te weten te komen hoe het vervoer geregeld wordt. Hij sluit af met de volgende zin: Wat verder het verzoek van uwe missieve aangaat, om de achtergelatene vrouw en kind niet dadelijk in onderstand op te nemen, zullen wij voldoen.
Geertruida moet zich maar redden. Dat doet ze kennelijk, want ze komt niet meer voor in de brieven.
Abonneren op:
Posts (Atom)